In de touwen

Miranda Wezendonk

4 | mei | 2021

I

Terug aan het front

‘Hey, wie hoor ik daar nou?’ Vanachter de gifgroene wand waar de artsen zitten, verschijnt een opgewekt hoofd. ‘Miranda. Je bent terug!’
De coördinerend verpleegkundige loopt naar haar toe en maakt het ellebooggebaar. Miranda Wezendonk lacht en geeft hem een bump.

Miranda brengt haar rugzak weg. De 49-jarige verpleegkundige begint aan haar avonddienst op de Spoedeisende Hulp. In de gang geeft ze een collega een boks en ze wisselt een veelzeggende blik uit. Miranda hoeft niets uit te leggen.

II

De opbouw

Zes jaar eerder. Het is een donderdag als een man zich meldt met hoge koorts en diarree. Miranda vraagt of meneer in Sierra Leone, Liberia of Nigeria is geweest. Dat ontkent hij, maar later komt de man terug op zijn verklaring. Alle alarmbellen gaan af. In het westen van Afrika heerst ebola. In Rijnstate ligt een strak protocol klaar. De afdeling wordt gesloten. Miranda moet in isolatie.

Het blijkt loos alarm. Na het incident interviewt de NOS de baas van de infectieziektebestrijding bij het RIVM. Die vertelt dat er in Nederland al 67 mensen zijn getest op ebola.
De uitslag was telkens negatief.
De expert heet Jaap van Dissel.

Als de coronabeelden uit Italië binnen-komen, denkt Miranda terug aan haar ebola-dag. Ze herinnert zich de chaos. Dat ze was vergeten om even naar huis te bellen. Terwijl ze juist bang is om “beestjes” mee naar huis te nemen. De beestjes, zo noemt ze alles dat besmettelijk is. Meningitis, resistente bacteriën, ebola en corona.

Miranda woont in Didam, samen met Hans met wie ze vorig jaar na vijfentwintig jaar verkering is getrouwd. Een administratief feestje omwille van een testament. Zonder ring, maar wel met een tatoeage. Van een roos en de namen van hun dochters. Iris (16) doet dit jaar eindexamen van de mavo. Kim (19) wordt verpleegkundige, net als haar moeder.

Miranda koos op haar achttiende voor de zorg. Na het vwo, begon ze aan een universitaire studie economie. Later voltooide ze in deeltijd een hbo-opleiding accountancy. ‘Maar cijfers waren het niet voor mij. Mensen helpen, het liefst in een uniform, dat was mijn kinderdroom.’ Ze volgt haar hart. Ze werkt zich op via de opleiding inservice-a, de Hartbewaking, de Intensive Care en de Spoedeisende Hulp. In haar vrije tijd werkt ze als verpleegkundige namens haar eigen stichting bij evenementen. Eind 2019 haalt ze Badr Hari nog uit de touwen van het Gelredome. Die foto haalt alle kranten.

In Rijnstate is Miranda een verpleeg-kundige naar wie de artsen luisteren, ook de eigenwijze. Technisch is het dik in orde bij haar. En ze is de
verpleegkundige die een hand vastpakt. Die een extra dekentje over iemand legt. Of een knuffel geeft. Ook dronkaards en verslaafden die een draaideurabonnement hebben, krijgen niets dan de beste zorg van haar. Ooit liet ze zoute haring aanrukken voor een stervende visliefhebber. Ze wil goed doen. En dat stoort haar ook zo aan de coronatijd. ‘De menselijkheid verdwijnt te vaak. Iemands hand vastpakken met een latex laagje ertussen, dat vind ik maar niks.’

Terwijl Miranda doorbuffelt, stapelen zich beelden op in haar hoofd. Ze lepelt de indrukwekkende patiënten zo op. De man die loog over ebola.
De mishandelde baby. Het meisje met hersenvliesontsteking bij wie haar handen door de reanimatie paarse vlekken achterlieten. De vader die haar ondanks zijn verlies kwam bedanken.

Miranda hoort een meisje schreeuwen.
‘Zie ik mama dan nooit meer levend?’

III

De druppel

De eerste golf overspoelt de Spoedeisende Hulp. Al in de eerste week wordt tijdens haar nachtdienst een vijftigjarige vrouw binnengebracht met coronaverschijnselen.

Miranda trekt de handschoenen aan, de muts, het masker, de spatbril en het schort. Eenmaal binnen verslechtert de vrouw zo snel dat reanimatie nodig is. Miranda die verantwoordelijk is voor de ademhaling en haar luchtwegen, vermoedt dat ze gaat overlijden. Een jonge neurologie-assistent wordt van de gang geplukt om de partner van de vrouw te bellen. Over de telefoon-speaker klinkt paniek. Miranda hoort een meisje schreeuwen. ‘Zie ik mama dan nooit meer levend?’ Later hoort Miranda, via via, dat de vrouw het overleefde. Maar de herinnering van het roepende meisje nestelt zich in boze dromen.

Al snel slaat de onderbezetting toe. Ook omdat het personeel zelf ziek wordt. Miranda ontkomt er niet aan. Ze carpoolt met Didamse collega’s in haar mokkakleurige Skoda naar Arnhem. De meerijdende collega’s testen positief. Chauffeur Miranda niet, maar dat komt omdat een laborant het koffertje met monsters was vergeten. Tien dagen ligt ze in isolatie op haar slaapkamer. Dan gaat het weer los. Nooit eerder was het zo druk.

De afdeling wordt in tweeën gesplitst. Elke dag veranderen de voorschriften. Gele schorten, groene schorten, blauwe schorten. Maar welke kleur ze ook hebben, soms lekt er speeksel onder het schort door op haar armen. Dan moet ze douchen en de boel met alcoholhoudende gel afnemen. Haar huid wordt kurkdroog. Omdat het bloedheet wordt in de beschermende kleding krijgen de artsen en verpleeg-kundigen koelvesten. Die koude vesten komen van Papendal, waar topsporters zich niet langer hoeven voor te bereiden op de uitgestelde Olympische Spelen in Tokyo.

Het virus is grillig. Een zeventiger die zich met keurige volzinnen meldt aan de balie, valt ineens om. Met een piepklein prikje in de slagader neemt Miranda een bloedgas af. Binnen vier minuten is het zuurstofgehalte bekend, samen met allerlei andere data. De man blijkt een zuurstof-gehalte van 67 procent te hebben.
Hij overlijdt niet veel later.

Het is de angst die het meest indruk maakt op Miranda. Ze ziet het in de ogen. Miranda vindt het moeilijk om ervan los te komen. Als ze thuis de tv aanzet, gaat het over corona. Als ze met de kinderen over school praat… corona. De vakantie gaat niet door vanwege corona. Afspreken met vrienden? Kan niet. Winkelen is niet leuk meer. Het houdt nooit op.

Miranda merkt dat ze korzelig wordt. Niet op het werk maar thuis. In oktober spreekt ze er voor het eerst over met haar leidinggevenden. Astrid en Saskia reageren vol begrip. Ondanks de krappe bezetting vragen ze haar om het rustig aan te doen. En ze regelen een buddy. Als Miranda naar huis wil, kan de buddy haar werk overnemen. Ze maakt er geen gebruik van.

In de tweede golf werkt Miranda juist keihard door. Dat is nodig, vindt ze zelf. Om het personeelstekort de baas te blijven, lopen er veel studenten rond. De Spoedeisende Hulp gaat werken met ‘helpenden’ die instrumenten aangeven en kamers klaarmaken. Buiten het werk veranderen er dingen. Thuis loopt er iets fout. Haar ouders gaan scheiden. En in de buitenwereld verstomt het applaus voor de zorg. Het uitkafferen keert terug. Op een dag komt een coronaverdachte jongeman binnen. Zijn vriendin is mee. Pas op de kamer vertelt het meisje aan Miranda doodleuk dat zij positief is. We zijn een jaar verder!, denkt Miranda. ‘Onder welke steen leef je dan?’ Maar dat zegt ze niet hardop. Iedereen verdient de beste zorg die ze maar kan geven.

In haar hoofd gaat het fout. Herinneringen gaan door elkaar lopen. In haar nachtmerries ligt ze zelf op een brancard en krijgt Hans dat telefoontje met slecht nieuws. In boze dromen hoort ze haar eigen dochter schreeuwen. Ze droomt dat ze zichzelf reanimeert en ziet paarse vlekken op haar eigen huid. Thuis barst ze soms in huilen uit. Het gaat niet langer. In de winter gaat ze opnieuw praten met haar leidinggevenden. ‘Ik ben mezelf aan het verliezen’, zegt Miranda. Astrid en Saskia reageren wederom vol begrip. Het verschil: dit keer is Miranda er zelf ook klaar voor. Ze zoekt hulp.

‘Jij bent slim’, constateert de psycholoog. Miranda lacht. Dat kan ze niet ontkennen. ‘Dan ben je ook slim genoeg om mij te manipuleren.’ Samen besluiten de psycholoog en de verpleegkundige dat niemand wijzer wordt van mooi weer spelen. Een posttraumatische stressstoornis luidt de diagnose.

Miranda besluit om het monster in de bek te kijken. In april sluit zich twee weken op in het appartement van haar moeder. Ondertussen loopt ze bij de GGZ. Ze ondergaat EMDR, een pittige therapie die helpt bij de verwerking van traumatische ervaringen.

IV

Arm om een schouder

Op 4 mei is ze terug aan het front. Met een avonddienst. In haar afzondering heeft ze ook iets ontdekt over zingeving en werk. ‘Ik ben een verpleegkundige in hart en nieren.’ De dienst verloopt goed.

Intussen hoopt ze dat collega’s die haar verhaal herkennen, hier niet mee blijven rondlopen. En dat die collega’s dan net zulke inlevende leidinggevenden hebben als zij.

De komende tijd mag ze werken, maar het hoeft niet. ‘Alleen al dat besef is genoeg.’ Miranda is gevaccineerd. Ze voelt zich beschermd genoeg tegen “de beestjes” en ze slaat zo maar een arm om een angstige patiënt heen. Dat was lang geleden. Het doet ook haar goed.