Stilstaan in beweging

Sabine van der Veen-Bodd

7 | april | 2021

I

Altijd door

Op de huid van haar rechter onderarm zit een kolibrie. Haar dochter heeft dezelfde tatoeage, ooit samen gezet om een nare tijd af te sluiten. Nee, Sabine van der Veen-Bodd heeft nog nooit een kolibrie in het echt gezien, maar het vogeltje past bij haar. ‘Ze zijn altijd in beweging hè?’ Ook voor Sabine is dat de manier om door het leven te gaan. Altijd bezig blijven. En net als een kolibrie kan Sabine stilstaan bij iets door snel
te bewegen.

II

De huismeester

Sabine komt uit een Achterhoeks arbeidersgezin. Vader Gerrit was een boerenzoon die stratenmaker werd. Op zijn zeventiende werd hij stapelverliefd op Annie. De ongelovige stratenmaker werd Rooms-Katholiek voor haar. Met schaarse middelen en een overschot aan liefde brachten Gerrit en Annie zes kinderen groot. Met alle kleinkinderen en achterkleinkinderen erbij kom je aan een vrolijk stel van vijftig mensen.

Hoewel Sabine in Duiven woont, noemt ze zichzelf een Babberichse. In haar bakermat spreken de mensen met een zachte ‘g’. Carnavals-vereniging De Schuumneuzen floreert en voordat de schutterij door het dorp marcheert, harken de mensen hun tuintjes aan. Babberich is thuis. Sabine komt er vaak. Na januari is ze al een paar keer langs het huis van vader en moeder gereden. Sabine denkt dat ze daar vanzelf mee zal stoppen als de nieuwe bewoners erin trekken.

Vanaf jonge leeftijd werkt Sabine in het ziekenhuis. Moeder Annie was schoonmaakster in het ziekenhuis en in de zomervakanties ging Sabine mee. Dat bijbaantje heeft ze nooit meer losgelaten. Binnenkort wordt Sabine 54 jaar en naast Babberich heeft ze een nieuw ankerpunt gevonden. Leo, haar man, ontmoette ze op latere leeftijd. Na de scheiding, toen ze uit was met de meiden. ‘Gewoon in de kroeg, bam, liefde op het eerste gezicht.’ Samen hebben ze een samengesteld gezin, met vijf kinderen. In de combideal met Leo kwamen ook de hazewindhonden in haar leven. Met Hero en Black maken Leo en Sabine lange wandelingen. Soms wel vijftien kilometer, langs plassen en stranden waar de honden los mogen rennen. ‘Zij worden moe en onze hoofden raken leeg.’

Al dertig jaar werkt Sabine in de kelder, zoals ze dat zelf noemt. De kelder is voor de werkbijen. Hier vind je de linnenkamer, het magazijn en de beddencentrale. Verhuizers, schoonmakers en huismeesters zwermen vanuit de kelder uit door de gebouwen. De laatste twee jaar is Sabine huismeester. Ze zoemt door de gangen. Rolstoelen regelen, de loper halen, mondkapjes aanvullen, medische pompen omwisselen.

III

Het virus

De uitbraak zette het kelderleven in de hoogste versnelling. Zeker in het begin was het hosselen. Zelfs bij het leger leende ze pompen.

Op de dag dat de kroegen hun deuren moesten sluiten, dook Sabine haar bed in. Koortsig en benauwd. Na vier dagen besloot Leo dat het welletjes was. Hij ging bellen en de huismeester belandde in haar eigen ziekenhuis. Dat duurde niet lang. Na vier uur werd Sabine naar huis gestuurd. In het ziekenhuis kwam haar ademhaling tot rust. ‘Ik voel me hier fijn, in goede handen.’ Haar zuurstofgehalte bleek, krap aan, goed genoeg. Na een infuus mocht Sabine thuis herstellen. Zo bleef er een plek vrij voor een coronapatiënt die er slechter aan toe was.

‘Ze hebben afscheid genomen van elkaar, dat weet ik zeker.’

Na haar quarantaine ging Sabine snel aan het werk. ‘Met de conditie van een oude vrouw, dat wel.’ Op haar fiets kwam ze amper vooruit. Traplopen was moeilijk. Sabine piept niet snel, maar dat deden haar longen wel. Pas na twee maanden ging het beter. ‘Ik heb geluk gehad.’

Haar grootste zorg woonde in Babberich. Gerrit, de 86-jarige vader van Sabine had chronisch slechte longen. En Alzheimer in een beginnend stadium. Moeder Annie van 84 had last van hartklachten. De familie en thuiszorg kende het devies. Geen geknuffel! Afstand houden! De broers zwaaiden vanuit de tuin naar hun vader. ‘Komt goed, pa, dat stukje schoffelen we ook nog even.’ Kleinkinderen gingen op raamvisite. Achterkleinkinderen legden hun tekeningen bij de voordeur. De mantelzorgende zussen waren streng. ‘Geen flauwekulletjes!’ Hun regime werkte. Tot januari.

De ellende begon bij vader. Na zijn besmetting belandde de longpatiënt in het ziekenhuis. Moeder kwam er later bij. Op de Spoedeisende Hulp werd moeder eerst nog naar huis gestuurd. Ze was met een ambulance gebracht, maar Sabine en Leo moesten haar zelf terugrijden naar Babberich. Met mondkapjes voor, een sjaal om en zo’n doorzichtig gelaats-masker. Op zaterdagmiddag legden ze haar in de huiskamer. En in de nacht was er al urgent familieberaad op FaceTime. De benauwdheid was terug. Mama moest terug naar het ziekenhuis, terug naar Gerrit.

Op de corona-afdeling kwam Annie om de hoek bij haar man te liggen. De ziekenhuiskamers zijn eigenlijk net te krap en sowieso leek het de artsen geen goed idee om het echtpaar op één kamer te leggen. Coronapatiënten hebben alle energie nodig voor hun herstel. Waar vader nog redelijk overeind bleef, verslechterde de toestand van moeder. Vader bracht heimelijke bezoekjes. Op de sloffen, over de gang. De verpleegkundigen knepen een oogje toe. ‘Ik ga het niet redden’, zei moeder. Sabine en haar zus bleven waken. Hun zelf opgelegde knuffelverbod schoven ze terzijde. En op hun mobiele telefoons legden ze tientallen lijntjes naar bezorgde familieleden.

Het filmpje dat Sabine maakte van een stiekem ziekenhuisbezoekje van vader aan moeder, kijkt ze nog vaak terug. ‘Ze hebben afscheid genomen van elkaar, dat weet ik zeker.’

De geriater kwam. En de palliatieve zorg. Zij noemden het “comfortabel sterven”. De zussen hadden de gesprekken over het einde al gevoerd met Annie en Gerrit. ‘Dit lag in de lijn van hun eigen keuze.’ Comfortabel sterven betekende dat moeder elk uur een liter zuurstof minder kreeg. Na drie uur stierf ze. Niet in paniek, rustig. Sabine is vol lof over de palliatieve zorg. ‘Dankzij hun expertise was dit afscheid waardig en mooi.’

Gerrit lag achter de klapdeuren, in zijn eigen kamer. Sabine en haar zus hebben hem het slechte nieuws gebracht. ‘Ik heb mijn vader, een zachtaardige man, nooit zo boos gezien. “Waarom is ze weggegaan zonder wat te zeggen?” Hij woog nog maar veertig kilo maar was aan het stampvoeten. Pas toen hij bij mama zat, werd hij weer rustig.’

‘We gaan eerst even denken aan mijn ouders…
en dan het leven vieren.’

Conform het coronaprotocol werd moeder binnen twee uur opgehaald uit de besmette kamer. Sabine herkende de collega’s. “Doen jullie voorzichtig? Zij is mijn moeder.” Ook vader moest plaatsmaken. In een rolstoel, ongeschoren. ‘Het was maar goed dat moeder dat niet meer hoefde te zien.’ De verplaatsing was de laatste klap. Gerrit moest huilen en at geen hap meer. ‘Kunnen we voor uw vader de comfortabiliteit in werking stellen?’, vroeg de arts uit Arnhem-Zuid. Gerrit leefde tweeënhalve dag zonder Annie. Volgens Sabine paste de kille, witte kamer waarin hij stierf, niet bij zijn karakter.

In de aula van villa De Wingerd in Zevenaar kwamen Annie en Gerrit weer bij elkaar. Sabine kan haar gevoel nog steeds niet goed omschrijven toen ze hun kisten zij aan zij zag staan. Zó naar en zó mooi tegelijk. In een zee van bloemen versierden kleinkinderen de kisten. De schoonmaakster en de stratenmaker zijn in één auto weggebracht. Tijdens hun laatste rondje door Babberich stonden alle buren buiten. Daarna zijn ze samen gecremeerd.

Het wordt zomer en de Babberichse familie
zal een zegeltjesfeest aanrichten. In de tuin
met een barbecue. Sabine: ‘We gaan eerst
even denken aan mijn ouders… en dan het
leven vieren’.

IV

Zegeltjesfeest

Een week na de dubbele crematie gaat Sabine weer aan het werk. Van haar leidinggevende krijgt ze alle tijd, maar die neemt ze niet. Net als de kolibrie op haar rechter onderarm staat Sabine stil door te bewegen. Ze fladdert door het ziekenhuis. Lekker werken en tussendoor praten over wat is gebeurd. Als mensen aan Sabine vragen hoe het gaat, dan zegt ze: ‘Ja, het gaat wel weer’.

Het is april, het virus zit in de derde golf. Op een dag loopt de huismeester met een verse pomp door die ene vleugel. Hier lag mama en daar om de hoek lag papa, denkt Sabine. ‘Raar.’ En ze loopt door.

Managers vragen Sabine of het ziekenhuis iets kan leren van haar ervaringen. Een mooie vraag, vindt ze, maar tips heeft ze niet. Sabine en haar familie zijn vol lof. ‘Wij hebben goede en liefdevolle zorg ontvangen. En natuurlijk waren er nare dingen, maar daarover wil ik niet oordelen. Het was een rottijd en ik vind dat mensen fouten mogen maken.’ Wat Sabine wél verdrietig stemt, is de trage start van het vaccinatieprogramma. ‘Was de overheid in de kerstvakantie begonnen, dan hadden mijn ouders nog geleefd.’

Het kussensloop van haar overleden moeder bleek nog een leuk bedrag aan Jumbo-zegels te bevatten.

Zonder hen gaat het leven door. In Babberich ontruimen de familieleden de eengezinswoning. Sabine houdt de barometer en een boompje. ‘En mijn herinneringen, die zijn het meeste waard.’ Bij de foto van Gerrit en Annie op haar schouw brandt altijd een kaarsje. ‘Voor altijd samen’, staat eronder. In een kleine urn zal een beetje as komen. De rest gaan ze binnenkort uitstrooien, over de bult bij de oude familieboerderij.

Drie maanden eerder had Annie op haar sterfbed een belangrijke boodschap voor haar dochters. ‘De koopzegels van de Jumbo zitten nog in het kussensloop.’ Moeder was bang dat haar kinderen de spaarboekjes per ongeluk zouden weggooien. Nou, mooi niet dus. Het kussensloop bleek nog een heel bedrag te bevatten. ‘Doe daar maar iets leuks van met zijn allen’, had moeder gezegd.

Het wordt zomer en de Babberichse familie zal een zegeltjesfeest aanrichten. In de tuin met een barbecue. Sabine: ‘We gaan eerst even denken aan mijn ouders… en dan het leven vieren.’