De machteloosheid verdragen

Josien Schoo

6 | januari | 2021

I

Blijf dapper

‘Blijf dapper!’ Jeroen is manager van de maatschap Interne Geneeskunde en zit verderop in de gang. Zo’n collega die haar helpt als ze vastloopt in Excel. Aan het eind van de dag zeggen Josien en Jeroen altijd even dag. Maar vandaag niet. ‘Blijf dapper’, zegt Jeroen. En Josien krijgt tranen in haar ogen. Het zijn precies de juiste woorden.

In het donker fietst Josien over de heuvels naar huis. Het is guur en het einde van de epidemie is nog niet in zicht. Dapper blijven. Dit is wat het is.

II

De gouden teckel

Oma droeg altijd een broche met een gouden teckel. ‘Als jij straks dood bent, mag ik die dan hebben?’, vroeg ze aan haar grootmoeder. Zeven, misschien acht jaar oud was Josien toen. De gouden teckel heeft ze nog steeds.

Josien is nu 56 en praat nog vaak over de naderende dood. Ze is verpleegkundig specialist palliatieve zorg. Sommige collega’s spreken over “zachte zorg”. ‘Dat klinkt alsof er ook harde zorg bestaat’, zegt Josien, ‘maar het is één geheel.’

Josien noemt zichzelf een Arnhems meisje. Geboren en getogen in de binnenstad. Toen Floris voorstelde om te verhuizen naar Velp, een kwart eeuw geleden alweer, twijfelde ze. ‘Wat moet ik als stadsmeisje nou in zo’n slaperig dorp?’ Inmiddels is ze er dolgelukkig. Hun jaren 30-woning aan de rand van het speelveldje is te fijn voor spijt. En de stad ziet, hoort en ruikt ze elke dag. Haar dagelijkse fietstocht naar het werk voert langs Bronbeek en over de heuvels van Klarenbeek.

Als tiener wilde Josien eigenlijk bij de politie. Dat vond haar vader geen goed idee. Ze leerde verplegen en in het Nijmeegse Radboudumc bloeide op de geriatrie de liefde op voor de palliatieve zorg. Ze ging werken in een hospice. In Rozendaal verzorgde ze mensen in hun laatste levensfase. Toen ze dertien jaar geleden begon in het team palliatieve zorg van Rijnstate, was er nog een wereld te veroveren voor de palliatieve zorg. Die emancipatie is gelukt, maar nog niet afgerond. Ook Josien ontwikkelt zichzelf. Zo ontdekte ze in het ziekenhuis dat stervensbegeleiding eigenlijk draait om het leven.

Josien loopt net als haar collega’s mee met mensen in een moeilijke tijd. Dat begint idealiter tijdens het gesprek waarin iemand slecht nieuws krijgt. Starten we wel of niet met chemo? Wat wil ik nog in de tijd die rest? Als je vraagt waarom ze goed is in wat ze doet, moet ze lachen. ‘Ik kan niet anders.’

Josien kan luisteren, ook naar dingen die niet gezegd worden. Onuitgesproken woorden zijn belangrijk in haar vak. Josien luistert ook met haar ogen. Tegenwoordig registreert ze de dingen-die-niet-worden-gezegd beter dan twintig jaar geleden. In haar tropenjaren met de opgroeiende kinderen leken die sensoren overbelast. Nu is er meer ruimte in haar hoofd. Zeker ook voor de technische kant van het vak.

Onuitgesproken woorden zijn belangrijk in haar vak.
Josien luistert ook met haar ogen.

III

Door de lege straten

Ze fietst zonder toeters en bellen. Op een omafiets met een boodschappen-bak voorop. Geen elektrische hulp, drie versnellingen maar. In Klarenbeek moet ze stevig doortrappen. Soms komt een collega naast haar fietsen op een elektrische fiets die haar even ondersteuning geeft. Oortjes draagt ze niet. Liever oefent ze in haar hoofd een voordracht. Of maakt ze plannen voor de zomervakantie.

De persconferentie bezorgt haar geen schrik. Het zijn de Arnhemse straten. Spookachtig en verlaten. In het ziekenhuis kloppen artsen en verpleegkundigen bij haar team aan voor advies. Het blijkt al snel dat patiënten met corona erg angstig kunnen zijn. Het long-virus maakt mensen benauwd en mensen die moeilijk ademen, kunnen in paniek raken. Dat is een natuurlijk overlevingsmechanisme. Ze staat samen met haar collega’s de artsen, verpleegkundigen en patiënten bij. Wat geven we om angst te onderdrukken? Geven we een patiënt met corona subcutaan morfine? In welke dosis? Dienen we dat toe met een spuitje of een continupompje? Uit het hele land delen collega’s hun ervaringen en tips op Palliaweb. De schaarste en paniek uit de eerste golf worden daar verpakt in geleerde lessen.

Als Josien voor het eerst het beschermende pak aantrekt, loopt ze te hannesen. Een verpleegkundige ziet haar worsteling en helpt haar. ‘Kijk, zo doe je dat. Eerst die flap en dan die.’ De hulpvaardige collega laat Josien niet aanmodderen. ‘Terwijl ze zo druk is. In artsenkamers naast de COVID-19-afdelingen treft Josien collega’s die helpen. Ze ontmoet er een tropenarts en een gynaecoloog in opleiding. Alle hens aan dek. ‘Er is zo veel samen.’

Als Josien het niet weet of onzeker is, legt ze lijntjes naar haar team-genoten. Samen kijken ze vooruit, naar duistere nachten. Op de fiets terug naar huis, door de lege straten, blijft de onzekerheid soms door-sluimeren. ‘Ben ik niks vergeten? Heb ik het goede nou goed gedaan?’ Meestal verwaait dat gevoel en is ze het kwijt in Velp.

IV

Méér dan zand erover

‘Dit is het dus?’ Het is januari als een patiënte die Josien al langer kent, zelf de conclusie trekt. In de tweede golf ziet Josien vaker patiënten met corona. Ingepakt zit de verpleeg-kundig specialist aan haar bed.

Door de coronabesmetting ging de behandeling tegen de darmkanker niet door. Het is oneerlijk. Ze had zó voorzichtig gedaan. En nu wint het virus? Tranen biggelen over haar wangen. Josien probeert haar te troosten. In een geel schort met blauwe handschoenen. Op anderhalve meter. Met begrijpende blikken.

Op de fiets terug naar Velp verwaait de twijfel dit keer niet. ‘Heb ik het goede nou goed gedaan? Is dit een waardig afscheid? Hoe dan?’

De volgende dag komen de zoon en haar man langs om afscheid te nemen. Ook ingepakt. ‘Ik kan niet meer’, zegt de patiënte berustend. Haar man is verdrietig. Haar zoon is boos en noemt de situatie onwaardig. Josien kijkt stil toe en heeft zich nooit eerder zo machteloos gevoeld. De slangetjes, de apparaten, de steriele kamers, die waren er altijd al. De isolatie, de afstand, de mondkapjes en de handschoenen zijn nieuw. ‘De zoon heeft wel gelijk. Hoe waardig is dit nog?’ De vrouw in het bed en Josien zijn even oud.

‘Dapper blijven negeert de ellende niet, het erkent ook het nare.’

Na het overlijden van haar leeftijds-genoot gaat Josien langs bij een psycholoog. Ze worstelt met het gevoel van machteloosheid. ‘Josien, je hebt veel kunnen betekenen. Door er te zijn en tijd te nemen.’ Josien hoort van anderen dat de echtgenoot en de zoon haar aanwezigheid als waardevol hebben ervaren. ‘Is er niets dat ik méér had kunnen doen?’, wil Josien weten. ‘Niets. Het is de kunst om de machteloosheid te verdragen’, luidt het advies. De psycholoog geeft woorden aan het gevoel van Josien. ‘Hier kan ik verder mee.’ Het zal geen protocol halen, maar het is een cruciale vaardigheid: de machteloosheid verdragen.

Als ze op het eind van deze dag door de gang naar het halletje loopt, is daar Jeroen. ‘Blijf dapper.’ Ook die woorden overleven de fietstocht die normaal het hoofd leegblaast. Josien schrijft een blog over het voorval. Haar relaas roept warme reacties op.

Als Josien maanden later een geel schort met blauwe handschoenen aantrekt, keren de zwarte herinneringen terug. Net als de woorden van Jeroen.

‘Blijf dapper’ wordt zelfs eventjes onderdeel van een debat. Tijdens een webinar vraagt een kritische nefroloog aan Josien of het geen verkapte oproep is om altijd maar door te gaan. Josien is het daar niet mee eens. ‘Blijf dapper is méér dan zand erover.’ Volgens Josien zit er een kwetsbare laag in. ‘Dapper blijven… dat negeert de ellende niet. Dapper blijven erkent ook het nare. En als er iets goed is aan de coronacrisis, dan is het dat we hebben geleerd om ook over het nare te praten. Echt praten, dus niet meteen in oplossingen schieten.’

Josien hoopt dat het ziekenhuis die kwetsbaarheid vasthoudt, ook als het virus verdwijnt. ‘En tot het zover is, is het doorbijten. En dapper blijven.’