‘We gaan ervoor’

Annemieke Bulthuis

1 | november | 2020

I

Het dilemma

Als Annemieke Bulthuis na een nacht vol geregel thuiskomt, kan haar man Wim amper praten. En er valt zo veel te bespreken. Annemieke kreeg namelijk een paar uur eerder van de schouwarts te horen dat haar vader is overleden.

In de vroege ochtend moet ze een besluit nemen. Ga ik naar mijn moeder om de crematie van papa te regelen? Of ga ik met Wim naar het ziekenhuis? Het is gaan stormen in haar 54-jarige leven.

II

In het oog

‘Als het hierbij blijft, dan teken ik ervoor’, denkt Annemieke in het voorjaar van 2020. Natuurlijk, corona bezorgt de Arnhemse ziekenhuis-medewerkster handenvol werk. Het is druk op haar werkplek, het Medisch Microbiologisch en Immunologisch Laboratorium in Velp. Daar worden onder meer coronatesten geanalyseerd. Annemiek regelt als administratief medewerkster alles om het lab heen. De koffertjes met monsters ophalen, de inkoop, de uitslagen doorgeven en de administratie. Vanuit het ziekenhuis bellen artsen op. Soms hoort ze paniek in hun stem. Het lijken geluiden uit een andere wereld. Corona giert om haar heen, maar voor Annemieke voelt het alsof ze in het oog van een storm zit.

Bij Annemieke zelf is er ‘niks aan het handje’. Wim werkt lekker thuis. Hij is ambtenaar bij de gemeente. Een rustige man van 56, redelijk fit. Samen met Annemieke gaat hij twee keer per week naar de sportschool. En ze wandelen de klinkers uit de straat met hondje Luna. Ook dochters Anne (22) en Simone (18) die het onderwijs in willen, zijn thuis in de knusse tussenwoning in Rijkerswoerd. Het is wel gezellig. Als bijbaantje handelt Annemieke in Boerenbont. Het serviesgoed betrekt ze rechtstreeks bij de bron. ‘Wij verkopen het echte werk, niet het Yvon Jaspers-spul.’ Haar klanten zijn dezelfde types als zijzelf.

Wel jammer is dat ze amper bij haar ouders op bezoek kan. Bert en Door wonen in Insula Dei. In dat verpleeghuis hebben ze hun geluk gevonden na een onrustige tijd waarin Parkinsonen dementie in hun levens waren geslopen. Haar vader van 84 spreekt over een hotel. ‘Waarom zijn we nooit eerder verhuisd?’

III

De storm

Maar dan gaat het waaien. Als Annemieke in oktober een dienst draait bij de informatielijn van het laboratorium, komt het telefoontje uit Insula Dei. Het eerste stormbericht: vader voelt zich niet lekker.

Een dag later volgt de positieve uitslag. Annemieke, haar broer en hun moeder besluiten om zich ook te laten testen als naaste contacten. Al snel blijkt iedereen besmet. De orkaan trekt aan. Ook haar dochters en Wim testen positief. Terwijl haar vader op de Spoedeisende Hulp belandt, ligt Annemieke rillend onder vijf dekens. Als ze zich na een paar nare dagen beter voelt, gaat ze meteen op bezoek bij haar vader. De zaalarts neemt haar apart en vertelt dat er geen hoop is. Annemieke pakt de hand van haar vader vast en samen nemen ze de opties door. ‘Papa, wil je sterven in het ziekenhuis of zullen we teruggaan naar mama?’ Bij de tweede keuze knijpt de 84-jarige hard in haar hand.

Bert mag terug naar zijn vrouw. In het verpleeghuis moet iedereen ingepakt aantreden, tot sneeuwbrillen aan toe. ‘Mama, ik ben het’, zegt Annemieke als ze in haar vragende ogen kijkt. Op 31 oktober glijdt Bert in het bijzijn van zijn vrouw weg. Als Annemieke thuis het slechte nieuws brengt, ligt haar man Wim ziek op de bank. Annemieke gaat met haar dochters naar het verpleegtehuis. De schouwarts en de begrafenis-ondernemer zijn in aantocht. Wim blijft achter. Hij is te ziek om overeind te komen.

De volgende dag moet Annemieke de keuze maken tussen twee kwaden. Ze gaat zelf met Wim naar de Spoedeisende Hulp. Dochter Anne gaat de crematie van haar grootvader regelen. In het ziekenhuis kijken de artsen bezorgd naar de uitslag van de bloedtest. Wim moet blijven. Even kijken Wim en Annemieke elkaar diep in de ogen aan. Dan verdwijnt hij in de witte gang. ‘We gaan ervoor’, roept Annemieke hem strijdlustig achterna.

In de berm langs de snelweg neemt ze afscheid.
‘Wim, ik houd van je. We gaan ervoor.’ De alarmlichten knipperen.

Annemieke schiet in de werkmodus. Ze maakt een groepsapp aan, belt collega’s, overlegt over de crematie van haar vader, begint met de gedeeltelijke ontruiming van het appartement in Insula Dei en schrijft rouwkaarten. De crematie zal in Moscowa plaatsvinden. En te midden van die drukte belt de longarts. Wim is niet langer in Arnhem. Rijnstate raakt vol en Wim is overgebracht naar Doetinchem. In het Slingeland Ziekenhuis was nog wel plek.

Vier dagen later in Doetinchem kijkt Wim, doodziek, op een schermpje mee naar de crematie van zijn schoonvader. Vijfentwintig kilometer verderop, in Moscowa, houdt Annemieke een toespraak. ‘Wij zijn zelfstandig opgevoed en ik heb nooit veel van mijn vader gevraagd’, zegt Annemieke op het eind. ‘Nou, laat dit dan één van de weinige keren zijn. Pa, als je me hoort, houd die hemelpoort dicht!’

De coronastorm raast door, want Wim verslechtert. Op 7 november belt de verpleegkundige. Ze willen Wim in coma brengen. Annemieke springt in haar auto, maar bij Westervoort hangt het ziekenhuis alweer aan de lijn. ‘We kunnen eigenlijk niet wachten.’ In de berm langs de snelweg neemt ze afscheid. Een verpleegkundige houdt de telefoon aan het oor van Wim. ‘Ik hou van je. We gaan ervoor!’ De alarmlichten van haar auto knipperen.

In Doetinchem trekt Annemieke het pak aan, wacht twee uur en dan ziet ze haar man op zijn buik liggen. Ze begint maar te praten en weet dan nog niet dat ze dat drie weken lang zal blijven doen. Wim ligt tot begin december in coma aan de beademing, met een buis in zijn keel. Hij scheert een paar keer langs het randje van de dood. Annemieke en haar dochters zoeken al liedjes en foto’s uit.

Het afscheid blijft uit. Een lang verhaal kort? Wim overleeft het. Annemieke rijdt elke dag naar Doetinchem, waar lieve mensen haar Wim omringen. Alle verpleegkundigen kennen de pincode van Wims mobieltje uit hun hoofd. Ze vragen naar zijn favoriete muziek. ‘Draai maar Nederlandstalig’, zegt Annemieke. Ze weet best dat Wim daar niet van houdt. Stiekem hoopt ze dat hij wakker wordt om die ellendige muziek te stoppen. En dat ze ooit zullen lachen om haar ondeugd.

Na een tijdje geven de artsen signalen af over een leven ná het ziekbed. Dat dit wel eens kan tegenvallen. Annemieke veert op. Zou er leven zijn na de storm? En hoe ziet dat eruit? Dan raakt ook het ziekenhuis in Doetinchem vol. ‘Wim is de beste van onze slechtsten’, zegt de longarts. De specialist wil Wim graag overplaatsen naar het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen. Om zo ruimte te maken voor mensen die het nóg harder nodig hebben. ‘Okay, prima’, antwoordt Annemieke. De longarts bedankt haar tot drie keer toe voor haar medewerking. Kennelijk is zo’n begripvolle houding iets ongewoons.

In Nijmegen zal Wim ontwaken. Dat gaat niet zoals in de film, constateert Annemieke droogjes. ‘Wim is een andere man geworden.’

IV

Een nieuwe lente

Annemieke gaat al snel aan de slag op het lab. Werken mag, maar het hoeft niet. Dat is fijn en ze is vol lof over de collega’s en haar leidinggevende. Ze vertellen vaak dat Annemieke trots mag zijn op zichzelf. Dan vertelt ze vlug hoe goed Wim het doet. Dat haar dochters ge-wel-dig zijn. Dat haar moeder zich zo kranig weert. En hoe fijn haar broer helpt. Beleefd wimpelt ze de schouderklopjes aan haar adres af. ‘Wat moet ik dan? Ik wil dit helemaal niet meemaken.’

In Nijmegen begint Wim voor-zichtig te communiceren. Met een oogopslag, een knikje en… zijn jubeltenen. Als de tenen bewegen, gaat Annemieke zijn voeten masseren. De verpleegkundigen vinden het bijzonder en maken er foto’s van. Dan gaat de buis uit zijn keel, de katheter wordt ontkoppeld. Wim verhuist naar een verpleegafdeling. En dan, op 4 januari, rolt hij in een rolstoel binnen bij Klimmendaal, voor zijn revalidatie. Voor het eerst sinds maanden zitten Annemieke en Wim eventjes alleen in een kamer. Dan brengt iemand een broodje kaas en een ei. Wim neemt het eitje en vraagt of Annemieke een hapje wil. Ah, hij is weer terug, denkt ze. ‘Nee joh, neem jij maar. Jij moet er nog van groeien.’

In Nijmegen begint Wim te communiceren. Met een oogopslag, een knikje en jubeltenen.

Praten gaat moeilijk. Een stemband is beschadigd, vermoedelijk toen tijdens het omdraaien op de Intensive Care een buis losschoot. Lopen gaat amper. Alle spiermassa is weg en de heupen doen niet mee. Maar Wim is een ideale patiënt. De dokters zeggen het keer op keer. Berustend én doelgericht tegelijk. De revalidatie gaat in stapjes. Zelf de telefoon vasthouden, dat is zo’n stap.

In februari komt Wim thuis. Het in hoogte verstelbare bed van zijn overleden schoonvader staat al klaar in de huiskamer. Annemieke vertelt over de lange weg die ze nog hebben te gaan. ‘Maar je kent ons motto inmiddels wel. We gaan ervoor.’