‘We hadden hier vandaag niet moeten zijn’

Arie Blok

9 | oktober | 2020

I

Niet in Istanbul

In de slaapkamer van zijn doorzonwoning speldt Arie Blok zijn V’tje op. Dat moment maakt hem trots, telkens weer. Zijn longen zuigen zich vol en hij recht zijn rug. Beneden geeft hij Bernadine een kus. Bij de kapstok twijfelt hij. Het wordt kouder, maar het is nog lang geen winter. Arie kiest voor de winterjas, die hij over zijn uniform aantrekt. Hij stapt op zijn elektrische fiets. Het is gestopt met regenen, maar het blijft grijs. Op de Nelson Mandelabrug waait een stevige wind over de klotsende Rijn. Kille lucht strijkt langs zijn rode konen. Lekker, denkt Arie.

In de Centrale Beveiligingspost van Rijnstate ontmoet Arie zijn dertig jaar jongere maatjes. Het blauwe licht van de beeldschermen valt schuin over hun gezichten. ‘Jongens’, zegt Arie en hij heft zijn vinger omhoog om zijn woorden plechtig te maken. ‘We hadden hier vandaag niet moeten zijn!’

Niels en Ilker roeren zwijgend in hun bekertje. Inderdaad, de drie collega’s zouden tweeduizend kilometer van hier moeten zijn. Ze zouden sis kebab hebben gegeten aan de Bosporus. Morgen zouden ze de Blauwe Moskee hebben bezocht. En op zondag een wedstrijd van Beşiktaş, de favoriete voetbalclub van Ilker. Maar helaas.

Op de dag dat de drie ziekenhuis-beveiligers in Istanbul hadden moeten zijn, worden 213 nieuwe coronapatiënten opgenomen in Nederlandse ziekenhuizen. Ook in Arnhem stroomt de corona-afdeling vol.

Tja, wat zijn ze van elkaar? Iets tussen vrienden en collega’s in. Wat precies, dat moet je niet vragen. Niels is de rustige jongen met Indische roots. Ilker is de zoon van Turkse ouders. Arie is de 65-jarige Hollander en vlotste prater van het stel. Met die verschillen gaan ze makkelijk om. Als Arie centralist Ilker oproept om naar de Spoedeisende Hulp te komen voor een gesprekje met een verhitte Turkse familie, dan vraagt Ilker aan Arie of hij naar een andere vleugel wil gaan. ‘Omdat daar hele oude mensen staan.’

Vandaag zal Arie mensen aanspreken op het dragen van mondkapjes. Na lang gehakketak is dat sinds een week verplicht. Ook in het ziekenhuis leidt de draagplicht soms tot gedoe. Net als de dagen, worden de lontjes korter. Steeds vaker roept Arie zijn sportief gebouwde maatje Niels erbij. Niels kan goed boos kijken. Voor Arie voelt het spierballenvertoon toch als falen. De zestiger wil gedoetjes met woorden oplossen en baalt als een stekker als hem dat niet lukt. Tijdens de virusuitbraak baalt hij vaker dan hem lief is.

II

Over de golven

‘Komt u misschien uit Den Haag?’, vraagt de oudere bezoeker bij de lift. Het onmiskenbare accent is opgevallen. ‘Nee, meneer. Ik ben een schollenkop’, zegt Arie. Vragende ogen kijken de beveiliger aan. ‘Ik kom uit Scheveningen’, zegt Arie. ‘Wij noemen Den Haag wel eens de fietsenstalling van Scheveningen. Het is net zoiets als Arnhem en Nijmegen moet u maar denken.’

Arie komt uit een vissersfamilie. Zijn vader voer op een trawler, maar koos op jonge leeftijd voor een bestaan op de wal. Zijn schoonvader Ab was kapitein. Op zee én thuis. In de familie denken ze nog vaak terug aan die keer toen hun zeilschip vastliep in Friesland. Opa dirigeerde het hele stel naar de andere steven en de boot schoot los uit de modder. Deze kapitein schonk zijn dochter de naam Bernadine, naar de hit van Pat Boone. Bernadine werd de grote liefde van Arie. Ze werkt al bijna dertig jaar voor Rijnstate, tegenwoordig als secretaresse bij de Spoedeisende Hulp. Samen in de pauze koffiedrinken doen de gehuwde collega’s bijna nooit. Dat doet Arie met zijn maatjes.

De zestiger wil gedoetjes met vriendelijke woorden oplossen en baalt als een stekker als hem dat niet lukt.

De visserij raakte in het slop en Arie had geen zeebenen. In 1973 begon hij als administrateur bij het Nederlands Rundvee Stamboek. ‘Niet praten over koetjes en kalfjes, maar registreren.’ Hij zou er veertig jaar blijven werken. In 1984 verhuisde het kantoor. Arie en Bernadine gingen mee. Eerst naar Duiven, toen naar een premie-A-woning in het Arnhemse Elderveld. Arie werd huismeester. Telefooncentrales bedienen, sleutels beheren. ‘Mooi werk… in het begin.’ Toen kwamen de computers. En de efficiëncyplannen. Op een dag liep Arie met een bezem over de parkeerplaats. Hij realiseerde zich dat hij de volgende dag precies hetzelfde zou doen.

Arie krijgt de kans om zich te laten omscholen. Als beveiliger vindt hij het verloren plezier terug in Rijnstate. Daar helpt Arie bezoekers naar hun zieke geliefden. De onregelmatige diensten bevallen prima. Plichts-getrouw zet Arie drie wekkers. Bijna nooit gaat er één af. Voor het werk ontwaakt Arie uit zichzelf.

Als een kind zo blij was Arie toen hij hoorde dat hij een vaste aanstelling kreeg. In een kantoortje, 28 februari 2015 om kwart voor elf, beleefde hij een van de mooiste momenten uit zijn leven. ‘Hier zat mijn chef, daar de jongen van personeelszaken. We gaan je een vast contract aanbieden, zeiden ze.’ Zijn trouwdag en twee keer de geboorte van een kind laten zich niet overtreffen, maar Arie krijgt tranen in zijn ogen als hij terugdenkt aan die dag. ‘Tranen van geluk hoor’, zegt hij verontschuldigend. ‘Ik ben gewoon dankbaar.’

III

Meer jus

Tijdens de eerste golf, in april, kwamen de patiënten uit Brabant en het westen. Met een speciale bus en mobiele IC’s. Op de plek van de gesloopte zusterflat werd een landingsplaats aangelegd voor helikopters. In Aries familie sloeg het longvirus ook toe. In Scheveningen belandde een visserman van 84 jaar in het ziekenhuis. Ab overleed op 18 april aan corona. Arie nam afscheid van zijn schoonvader via FaceTime. De beveiliger bedankte hem voor alles dat hij had betekend. Een fijn gesprek, Ab was helder. Natuurlijk, het afscheid verliep anders dan Arie had gewild. ‘Maar eigenlijk was het ook wel mooi zo.’

‘Ik ben gewoon dankbaar.’

In februari maakten de beveiligers nog grapjes. Straks gaat ons Turkse avontuur niet door. Inmiddels is het niet grappig meer. Het is de vraag of de collega’s voor Aries pensionering in Turkije belanden. Met frisse tegenzin werkt Arie toe naar zijn afscheid van het werkende leven. Arie zwoer ooit nooit meer een caravan achter zijn auto te knopen. Toch ging het kriebelen en een tijdje terug kocht hij opnieuw een huisje op wielen. Bernadine was verbaasd en blij tegelijk. Arie zegt dat-ie lekker achter de wagen ligt.

Arie wil vrijwilligerswerk gaan doen. In Eldenstaete. ‘Rolstoeltjes douwen, liedjes van vroeger zingen.’ In ‘t groene dal, in ‘t stille dal. Jarenlang heeft Arie gezongen in koren waar hij het verschil leerde tussen pianissimo en fortissimo. In het ziekenhuis zingt hij nooit. ‘Dan ligt daar iemand voor het leven te vechten en loopt iemand op de gang te galmen over een meisje dat daar laatst loos was. Dat vind ik ongepast.’ Wel neuriet Arie, in lege liften en verlate gangen.

Deze winter zal Arie zijn pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Waar sommige mensen de dagen van hun werkend leven aftellen, kan het Arie niet lang genoeg duren. Dat hij nog één keer mag werken met kerst en oudejaarsdag, vervult hem met vreugde. ‘Dat zijn stiekem de mooiste dagen. Volgens Arie hangt er dan een bijzondere sfeer in het ziekenhuis. ‘Het gewone leven heeft dan meer jus.’

Op de dag dat Arie in Istanbul had moeten zijn, wordt hij naar een wachtkamer geroepen. ‘Waarom wordt onze moeder niet geholpen?’, vraagt een potige man. ‘Die dokter zit te lezen in zijn aquarium en die verpleegster loopt te bellen. Waarom helpen ze niet?’ Arie toont begrip. ‘Ik snap uw verbazing en ik ga even informeren.’ Even later komt Arie terug. Hij vertelt dat de verpleegkundige aan de lijn hangt met een specialist over de behandeling en de arts leest het dossier van zijn moeder. De woede ebt weg. Helemaal als Arie aanbiedt om koffie te halen.

‘Het komt allemaal wel goed.’

Zo is Arie. Altijd even meelopen met iemand die de weg zoekt, dat is zijn motto. Hij vertelt het tegen de 20-jarige collega die hij inwerkt. ‘Stel je toch voor, jongen! Dan kom je met buikpijn bij die slagboom en zie je al die bordjes. Ik kan door het luidsprekertje de paniek horen. Op zo’n moment gaan we dus ons hok uit om te helpen.’

Beveiliger Arie noemt zichzelf ‘iets te begripvol’. Niet voor complotdenkers, antivaxxers en virusontkenners. Die maken het niet beter. Maar de opgehokte jongelui die op zonnige dagen massaal picknicken in het Sonsbeekpark? Ach, die snapt hij wel. Net als de meute die fikkies stookt en rottigheid uithaalt in Geitenkamp. In die wijk voelt Arie zich thuis. De bakstenen portiekjes, de ondeugd. Het lijkt op zijn eigen jeugd in Duindorp. ‘Het kerstbomen razen begon in mijn tijd.’

IV

Het komt goed

Op de dag dat hij tweeduizend kilometer verderop had moeten zijn, fietst de Scheveninger met de wind in de rug terug over de brug. Arie hoopt dat hij zijn kleinkinderen Sepp, Mikk, Boaz en Lizzy snel weer kan knuffelen. Hij mist het. Arie hoopt dat Bernadine stamppot heeft gemaakt. En dat Istanbul niet wegloopt. ‘Het komt allemaal goed.’